donderdag 7 maart 2013

Feminisme en ecologie: a difficult love affair

 
 
[Uitleg bij de foto: "Love canal was een arbeidersgemeenschap in de US waar vrouwen eind jaren 70 een uitzonderlijk hoog aantal miskramen, doodgeboortes, aangeboren afwijkingen en ziektes bij kinderen en volwassenen vaststelden. Toen (vooral vrouwen) aan de alarmbel trokken, werd duidelijk dat de wijk gebouwd was op een voormalige stortplaats. Veel acties vonden plaats, maar het was maar toen vrouwen "vandalized a construction site, burned an effigy of the mayor and had been arrested in a blockade that government officials began to take notice."]

Onderstaand artikel, geschreven door Anneleen Kenis, werd overgenomen van de website van DeWereldMorgen.

Ecofeminisme wordt niet altijd met evenveel enthousiasme onthaald, zelfs niet in feministische kringen. Daar zijn begrijpelijke redenen voor.

Het heeft feministes bloed, zweet en tranen gekost om het juk van de zogenaamde band tussen vrouwen en de natuur van zich af te werpen. Als er dan plots een nieuwe feministische stroming opduikt die de link tussen de ecologische crisis en de onderdrukking van vrouwen centraal stelt - en die op die manier de band tussen vrouwen en de natuur opnieuw binnen lijkt te brengen - is het te begrijpen dat vrouwen op hun hoede zijn.

 Weg van de natuur

Eeuwenlang werd verzet tegen allerlei onderdrukkingsrelaties (volgens ras, gender, klasse, …) afgedaan met de stelling dat de gegeven situatie ‘natuurlijk’ zou zijn, en dus bijna per definitie ‘goed’ en ‘onveranderbaar’. Zo werden vrouwen geacht gedetermineerd te zijn door hun lichamen, en precies om die reden niet geschikt om een rol te spelen in het publieke leven[1] Het is dan ook geen toeval dat heel wat emancipatiedenksters probeerden aan te tonen dat één en ander helemaal niet zo ‘natuurlijk’ is, maar daarentegen sociaal of cultureel geconstrueerd, en dus ook veranderbaar.

De terechte kritiek op allerlei naturalistische theorieën leidde echter soms tot een radicaal constructivisme, waarbij er zo goed als totale abstractie gemaakt werd van onze inbedding in en afhankelijkheid van de ‘natuur’[2]. Meer dan eens ging dit samen met een bepaald soort van verlichtingsdenken waarbij de mens als het ware God op aarde werd, alsof ‘hij’ de natuur buiten en in zichzelf zomaar kan overwinnen.

Vandaag komt dit soort denken als een boemerang in ons gezicht terug: hoe meer mensen de natuur poogden te ‘beheersen’, hoe groter de ecologische ravage die ze aanrichtten. De ecologische crisis is gigantisch: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, verzuring van de oceanen... De mens is druk bezig zijn eigen ecosysteem te vernietigen.

Het tij keren, vraagt niet alleen een verandering in ons handelen, maar ook in ons denken. Het gaat niet langer op ons ‘buiten’ of ‘boven’ de natuur te wanen. Mensen zijn fysieke wezens, en dus kunnen we onszelf niet los zien van de lucht die we inademen, het voedsel dat we eten, het water dat we drinken. In zekere zin zijn we zelfs het voedsel dat we eten, de lucht die we inademen,... Of op zijn minst zijn onze lichamen uit dezelfde elementen opgebouwd.

Het was Rachel Carson (nvdr: Amerikaanse biologe) die voor het eerst op overtuigende wijze toonde hoe pesticides, die gebruikt worden in de landbouw, in de ecosystemen terechtkomen en doorheen de voedselketen vervolgens in onze lichamen.[3] De reactie vanuit de overheid en de chemische industrie was niet min, en bestond er vooral in haar geloofwaardigheid als vrouwelijke ‘wetenschapster’ te proberen ondermijnen door haar voor te stellen als een gefrustreerde oude vrijster die meer om vogels dan om mensen geeft.

Vandaag ontkent nagenoeg niemand meer de desastreuze effecten van pesticides op onze gezondheid en leefmilieu. Ondertussen neemt de ecologische crisis dusdanige proporties aan dat het zo goed als onmogelijk is eraan te ontsnappen. Zelfs als je enkel biologisch voedsel eet en op 'den buiten' woont, kan je je onmogelijk afsluiten voor de verspreiding van allerlei giftige stoffen. Een Canadese studie vond dat zelfs bewoners van de meest afgelegen gebieden in Canada niet minder dan 44 verschillende giftige stoffen in hun lichamen hadden.[4] Als Inuit-vrouwen hun moedermelk zouden proberen verkopen in de VS zou die geklassificeerd worden als gevaarlijk afval omwille van de hoge hoeveelheid PCB's.[5] Meer dan ooit moeten we dan ook de ‘materialiteit’ van het menselijk bestaan in rekenschap nemen.
 
Biopolitiek en gendertroubles
 
Dat is des te belangrijker gezien het feit dat onze verhouding tot de ‘natuur’ zelf niet genderneutraal is. Zo blijken vrouwen wereldwijd als eersten de gevolgen van milieuvernietiging te ondervinden. Met andere woorden: vrouwen worden sterker geconfronteerd met de ‘materiële’ kant van ons bestaan. Daar is nochtans niets ‘natuurlijks’ aan. Tot op vandaag zijn het nog steeds vooral vrouwen die instaan voor allerlei huishoudelijke en zorgtaken. Op die manier staan vrouwen in voor het ‘in stand houden’ van het menselijk lichaam, dat gevoed en verzorgd moet worden, moet kunnen rusten, enzovoort.[6] Dit maakt dat vrouwen vaak als eersten milieuvervuiling waarnemen en de gevolgen daarvan ondervinden. Het zijn immers zij die steeds langere afstanden moeten wandelen om aan proper water te geraken, het zijn zij die het vaak als eersten merken als kinderen ziek worden en het zijn zij die in milieugerelateerde conflicten de zwaarste klappen krijgen.

Bovendien ervaren vrouwen vaak sterker de gevolgen van milieuverontreiniging in hun eigen lichamen [7]. Denk bijvoorbeeld aan de eerder vermelde PCB’s in moedermelk, of denk aan de aan milieuvervuiling gerelateerde miskramen, of de hoge ratio’s van borstkanker. Terwijl voor volwassen mannen de belangrijkste doodsoorzaken zelfmoord, auto-ongevallen en longkanker zijn, is dat voor vrouwen borstkanker, een ziekte die duidelijk gerelateerd is aan milieuvervuiling [8].

Ook veel van de antwoorden op de huidige ecologische catastrofe zijn allesbehalve genderneutraal. Neem het overbevolkingsdiscours, en de focus op geboortebeperking. Vandaag kan je via de organisatie ‘Population Matters’ voor een luttele bijdrage een green seat kopen als je het vliegtuig naar de andere kant van de wereld neemt. Met het geld dat je hiervoor betaald, worden projecten opgezet om de milieu-impact van je vliegtuigtrip te ‘compenseren’. Voorbeeldprojecten zijn initiatieven om vrouwen in Madagascar te overtuigen om minder kinderen te krijgen, vanuit het idee dat dít de milieudruk zou tegengaan. Wars van elke empirische evidentie, en zonder veel schroom, wordt de verantwoordelijkheid voor de ecologische crisis op die manier doorgeschoven van ‘rijke, blanke mannen’ in het globale Noorden, naar veelal ‘arme zwarte vrouwen’ in het globale Zuiden.[9]
 
The dirty little secret

Je kan de zaak ook van de andere kant bekijken: je zou kunnen zeggen dat mannen in zekere zin hun macht gebruikt hebben om te ontsnappen aan de ‘lasten’ van de fysieke kant van het menselijke bestaan.[10] De ‘ideale man’ is fit, mobiel, gevoed, verzorgd en uitgerust.[11] Hij moet zich niet bekommeren om huishoudelijke of zorgtaken. De goederen die hij consumeert, verschijnen voor hem als afgewerkte diensten en producten. Hij houdt zich met andere zaken bezig dan met de materiële stromen die zijn lichaam bepalen. Hij kan loskomen van de ‘natuur’. In de zin dat vrouwen disproportioneel instaan voor de ‘materiële’ kant van het menselijk bestaan, bewaren zij ‘the dirty little secret’ dat mensen uit de niet-menselijke natuur voortkomen, zoals ecofeministe Ynestra King treffend stelt.[12]

Toch is het niet zo evident de ‘natuur’ terug in de feministische analyse binnen te brengen. Lange tijd werd de onderdrukking van vrouwen gerechtvaardigd vanuit het idee dat vrouwen te weinig hun ‘natuur’ zouden kunnen overstijgen om zich echt tot de cultuur te ‘verheffen’[13] Vrouwen werden gezien als beperkt en bepaald door hun lichamen, en onder meer daarom uitgesloten van het publieke leven. Het is dan ook niet verrassend dat veel feministen vandaag erg terughoudend zijn om een ‘ecofeministische’ analyse te maken. Daarbij komt nog dat er ook ecofeministische stromingen zijn die effectief behoorlijk essentialistisch, en zelfs deterministisch zijn.

Nochtans is er geen enkele reden waarom het leggen van een link tussen de onderdrukking van vrouwen en de uitbuiting van de ‘natuur’ essentialistisch zou moeten zijn. Veel ecofeministes zien deze ‘link’ als iets contingent, iets dat op een specifiek historisch moment verscheen; en dus ook kan veranderen. Daarbij is het wel belangrijk te zien dat het hier om een sterke contingentie gaat, niet een zwakke. Het verband tussen de onderdrukking van vrouwen en de uitbuiting van de natuur is geen ‘toeval’ maar het gevolg van structurele realiteiten[14].
 
Ecopolitiek

Oog in oog met de ecologische crisis moeten we de ‘natuur’ terug binnenbrengen in onze analyse en praktijk. Dat is geen makkelijke oefening, en we kunnen daarbij veel leren van vrouwen die overal ter wereld worden geconfronteerd met de ‘materialiteit’ van het menselijke bestaan. Het is geen toeval dat vrouwen in veel ecologische bewegingen een voortrekkersrol spelen, en de behoedsters en bewaarsters van een schat aan ecologische kennis zijn.

Het maken van een genderanalyse in relatie tot de ecologische crisis is geen gemakkelijke zaak. Het heersende discours is er vandaag één van ‘wij allemaal samen tegen CO2’.[15] Uiteindelijk hebben we allemaal een verantwoordelijkheid voor de ecologische crisis, en zullen we allemaal slachtoffer zijn, zo wordt steeds weer gesteld. Bovendien zouden we oog in oog met de ernst van de ecologische catastrofe geen tijd meer hebben om ons te laten verdelen in tegengestelde kampen. Het gevolg is een immense depolitisering die elke meer offensieve strijdbeweging in de weg staat.

Het ecofeminisme doorbreekt deze postpolitieke consensus door de specificiteit van onze relatie tot de ‘natuur’ zichtbaar te maken. Zo laat het ecofeminisme ondermeer zien dat sommige mensen wel degelijk meer verantwoordelijkheid hebben, en anderen de eerste of voornaamste slachtoffers zijn. De notie van “gedeelde, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid” wordt vandaag al gebruikt om het verschil in verantwoordelijkheid tussen het globale Noorden en globale Zuiden aan te duiden, maar kan evenzeer toegepast worden op andere onderscheidingen, zoals die gebaseerd op gender.[16]

Het kan moeilijk toeval worden genoemd dat beleidsmakers rond duurzaamheidskwesties voornamelijk dezelfde blanke, mannelijke en mobiele actoren zijn die de vruchten van de huidige maatschappij plukken en dat vrouwen en andere groepen veel minder vertegenwoordigd zijn in dergelijke besluitvormingsorganen.[17]

De manier waarop we omgaan met de ecologische crisis is nooit neutraal. Het gaat om een specifiek maatschappij- en dus ook machtsproject met een onvermijdelijke impact op de sociale verhoudingen. Een genderanalyse kan dan ook helpen deze complexe maatschappelijke kant van het ecologische vraagstuk scherp te stellen. Het helpt ons een historisch en ‘materialistisch’ perspectief te ontwikkelen, dat wars van elk essentialisme de dwarsverbanden tussen feminisme en ecologie op de kaart zet. Door de sociale ongelijkheden en machtsrelaties in relatie tot de ‘natuur’ zichtbaar te maken, draagt het ecofeminisme zonder enige twijfel bij aan de repolitisering, en daarom ook aan de democratisering van de strijd tegen de ecologische crisis.

Anneleen Kenis
Anneleen Kenis is onderzoekster aan de KULeuven en co-auteur van ‘De mythe van de groene economie. Valstrik, verzet en alternatieven.’
 

[^ 1] Mellor, M. 1997. Feminism and Ecology. Cambridge: Polity Press.
[^ 2] Foster, J.B., Clark, B. & York, R. (2010) The Ecological Rift. Capitalism's War on the Earth. New York: Monthly Review Press.
[^ 3] Carson, R. 1962. Silent Spring. Boston: Houghton Mifflin.
[^ 4] Speth, J.G. 2008. The bridge at the end of the world: capitalism, the environment, and crossing from crisis to sustainability. New Haven: Yale University Press.
[^ 5] Speth, J.G. 2008. The bridge at the end of the world: capitalism, the environment, and crossing from crisis to sustainability. New Haven: Yale University Press.
[^ 6] Mellor, M. 2006. Ecofeminist political economy. International Journal of Green Economics 1 (1/2): 139-150.
[^ 7] Mellor, M. 1997. Feminism and Ecology. Cambridge: Polity Press.
[^ 8] http://www.zorg-en-gezondheid.be/Cijfers/Sterftecijfers/Algemene-sterftecijfers/Sterftecijfers-per-leeftijd--sterfterisico-en-bevolkingspiramide/#doodsoorzaken. Volwassenen zijn hier gecategoriseerd als mensen tussen 20 en 69 jaar.
[^ 9] http://populationmatters.org/, http://www.popoffsets.com/
[^ 10] Mellor, M. 1996. The politics of women and nature: Affinity, contingency or material relation? Journal of Political Ideologies 1 (2):147-165.
[^ 11] Mellor, M. 2006. Ecofeminist political economy. International Journal of Green Economics 1 (1/2): 139-150.
[^ 12] King, Y. 1990. Healing the Wounds: Feminism, Ecology and the Nature/Culture Dualism. In Reweaving the World, edited by I. Diamond and G. F. Orenstein. San Francisco: Sierra Club Books.
[^ 13] .Mellor, M. 1997. Feminism and Ecology. Cambridge: Polity Press.
[^ 14] Plumwood, V. 1993. Feminism and the mastery of nature. London: Routledge.
[^ 15] Swyngedouw, E. 2007. Impossible “Sustainability” and the Postpolitical Condition. In The Sustainable Development Paradox, edited by R. Krueger and D. Gibbs. London: The Guilford Press.
[^ 16] Spitzner, M. 2009. How Global Warming is Gendered. In Eco-Sufficiency and Global Justice: Women Write Political Ecology, edited by A. Salleh. London: Pluto Press.
[^ 17] Mellor, M. 1997. Feminism and Ecology. Cambridge: Polity Press.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen